 |
Ik
vervolg het onderzoek naar materiaal (eerst in
pvc) nu met een lint van 6 cm breed staal. Zwaar
werk, alleen al om het materiaal aan 'gene zijde'
te krijgen. Met hulp uiteindelijk op zijn plek
gezet. In de buiging van het lint zit echter een
vervelende 'zak', een lichte knik op de verkeerde
plek. Komt dit door het walsen of door het
vervoer? Ik hoop nog even dat hij eruit zakt in de
loop van de tijd, maar dat gebeurt niet. De
volgende dag terug om te kijken of ik de knik met
een andere verbinding kan opheffen. Ik blijf
ontevreden. Ik vind het heel belangrijk om juist
de basislijn goed te hebben, omdat ik me anders
blijf ergeren aan het 'net-niet' ervan. Ik begin
opnieuw met onderzoek. In het verloop hiervan merk
ik steeds meer dat de lijn massa nodig heeft.
Meerdere lijnen bij elkaar geven niet de onrust
die ik in eerste instantie dacht te krijgen, maar
juist voldoende vorm om de concurrentie aan te
kunnen met de natuurlijke omgeving. |
Deze
week werken we onafhankelijk van elkaar. Wat ik
verwacht had is gebeurd: De koeien hebben de
stangenconstructie los geduwd. Ik maak andere
nieuwe verbindingen en die bevallen me veel beter.
Deze aanzet is nu veel minder een hek, een
oplossing van een praktisch probleem, maar veel
meer een ruimtelijke tekening met
aanknopingspunten voor een vervolg. Kijken of de
pinken het zo met rust laten. Ik vecht een
lange dag met meters koperpijp, die uiteindelijk
precies de spiraal vormen die ik hebben wil.
Verbinding, gebaar, landmark, het eerste reiken
naar gene zijde. Wat me het meest bevalt aan
deze manier van werken is dat het beeld door de
tijdelijkheid van het gegeven het karakter en de
directheid heeft van een studie, maar door de maat
tegelijk een oefening is in monumentaliteit. |
 |